Kwaliteitsbeleid

Cyclisch volgen van de implementatie

Het aanschaffen en (leren) gebruiken van technische hulpmiddelen kost tijd en energie. Dat geldt niet alleen voor de ICT-werkgroep, maar ook voor de docenten, de leerlingen en de ouders. Dit dient men zich te realiseren.

Om succesvol met de verschillende ICT-hulpmiddelen te blijven werken en de kwaliteit te verbeteren, redden scholen het niet om bijvoorbeeld maar één jaar intensief met dit onderwerp bezig te zijn. In het onderzoek van Van der Weerden (2007) bleek een jaar na invoering dat verschillende scholen gestopt waren en/of minder gebruik maakten van de hulpmiddelen. Men weet dit onder meer aan een tekort aan facilitering, technische problemen en gebrek aan kennis en vaardigheden bij leraren.

Door bij de implementatie gebruik te maken van kwaliteitsinstrumenten zoals de PDCA-cyclus (Plan-Do-Check-Act) dwingt een school zichzelf herhaaldelijk (elk jaar opnieuw) het ingevoerde ICT-beleid en de daarop aansluitende begeleiding te volgen, te evalueren en bij te stellen. Dit kost – als het goed is ingebed in de gehele kwaliteitszorg – niet uitzonderlijk veel tijd en het levert betere garanties voor continuering, uitbreiding en bijstelling van eenmaal ingevoerde maatregelen.

Zowel op strategisch (management) als op tactisch (schoolinterne ICT-groep) niveau, is het van belang dat ICT-toepassingen meegenomen worden als onderdeel van kwaliteitszorg en dat over de resultaten hiervan gerapporteerd en gecommuniceerd wordt naar alle betrokkenen.

 

Meten van effecten

Om goed te kunnen bepalen wat het belang en de betekenis van ICT-middelen is, willen scholen weten of en in hoeverre de ingevoerde middelen van invloed zijn op het functioneren van de betrokkenen. Dit maakt het namelijk ook mogelijk te bekijken of een school op de goede weg is of dat bijstellingen nodig zijn. Scholen richten zich in de eerste plaats op de leerlingen, verder op docenten, zorgspecialisten en ouders. We kunnen hiervoor verschillende middelen inzetten, zoals evaluerende bijeenkomsten, enquêtes, vragenlijsten, testen en toetsen. De praktijk leert dat rechtstreekse (mondelinge) contacten met de betrokkenen vaak meer respons geven dan indirecte (schriftelijke) contacten.

De leerling

De aandacht gaat in de eerste plaats uit naar de leerprestaties en het welzijn van de leerlingen. De hier beschreven ICT-middelen hebben in eerste instantie compenserende waarde. Dit dient bij leerlingen te worden nagegaan:

  • Voelen ze zich zekerder en zelfstandiger?
  • Kunnen ze met behulp van deze middelen meer en langer lezen?
  • Ervaren ze effecten bij de schoolvakken?
  • Ervaren ze verbetering in taakhouding (inclusief concentratie, motivatie, doorzettingsvermogen)?
  • Etcetera.

Omdat onderzoek heeft aangetoond dat in een aantal gevallen ook de technische lees- en/of spellingprestaties verbeteren, is het van belang het (eventuele) effect te meten. Dit kan met de toetsinstrumenten die in de Protocollen Leesproblemen en Dyslexie wordt genoemd.

Als de technische lees- en spellingvaardigheden ook verbeteren, is er natuurlijk nóg meer winst behaald. Het is belangrijk dat toekomstig praktijkonderzoek zich hierop richt.

Scholen en dyslexiebehandelaars kunnen een grote bijdrage leveren aan het verzamelen van ‘evidence’ voor deze ICT-middelen.

De docenten/leraren/zorgspecialisten

Praktijkonderzoek kan en moet zich ook richten op de begeleiders van de leerlingen. Nagegaan kan worden of zij:

  • zich voldoende ondersteund voelen bij het omgaan met ICT-middelen, of ze nog extra informatie of scholing nodig hebben en welke initiatieven ze daartoe zelf ondernemen;
  • voldoende in staat zijn om na te gaan in hoeverre hun eigen (stimulerende) rol bijdraagt aan het effectief gebruik van de middelen door de leerlingen en in hoeverre ze openstaan voor ideeën die leerlingen aandragen;
  • op metaniveau in staat zijn het gebruik van de middelen te evalueren binnen en (eventueel) buiten de klas.

Dit praktijkonderzoek gericht op en mede uitgevoerd door de docenten, kan ons veel inzicht verschaffen in de daadwerkelijke effecten van de middelen en de eisen die er aan implementatie gesteld worden.

De ouders

Zoals we hiervoor hebben aangegeven, kunnen ouders een belangrijke rol spelen bij het ondersteunen van de school (bijvoorbeeld scannen, boeken aanvragen). Ook kunnen ze hun kinderen stimuleren de aangereikte middelen te gebruiken en kunnen ze hen daarbij ondersteunen.

Praktijkonderzoek kan zicht bieden op bruikbare initiatieven, vragen, problemen en oplossingen. Door de activiteiten, wensen, behoeften en ‘good practice’ van ouderparticipatie te inventariseren, kan de samenwerking met ouders worden verfijnd, kunnen ouders als co-onderzoeker mede vormgeven aan het welslagen van de implementatie en daarmee aan het welbevinden van hun kinderen.